Regelmatig zie ik ze voorbij komen: vacatures die zoeken naar een spin-in-het-web. Een spin reageert op de minste of geringste beweging van z’n web. Dat type alertheid is blijkbaar een gewilde eigenschap. Als we bedenken waar die spin doorgaans naar toe rent, voelt de metafoor wat minder prettig. Want spinnen-in-het-web willen we wel hebben, maar prooien… die hebben we liever niet in onze organisaties. Toch?
Vanmorgen liep ik een rondje door de ochtendmist en viel me op hoeveel spinnenwebben mijn buurtje telt. Normaalgesproken vallen ze me niet op (tenzij ik erin loop, wat regelmatig gebeurt als ik mijn fiets uit ons fietsenschuurtje haal…). Maar door de combinatie van water en licht waren vanmorgen heel veel webben hartstikke zichtbaar, en maakte ik er deze foto van (in plaats van rag in mijn haar te verzamelen).
Onder het lopen mijmerde ik wat over alle noeste spinnenarbeid. En ik dacht bij mezelf: ook in organisaties worden heel wat webben gesponnen die we niet direct zien. Ze worden pas zichtbaar als we ons licht erop laten schijnen. Soms is er een web dat werkelijk alles opvangt; het bemoeit zich met iedereen, niemand komt er langs zonder dat de spin het ziet. Of er hangt een web van ontevredenheid in een donker hoekje achteraf, dat zelfs door het licht niet gevonden wordt. Je komt ook wel eens een web tegen dat alles aan elkaar probeert te weven: iedereen vindt en doet hier A, B, C. En er bestaan webben die erop gericht zijn om anderen te vangen en op te eten: denk jij maar niet dat je hier kunt komen binnenlopen en iets van ons kan vinden.
Anders dan bij spinnen, is het weven van zo’n web in organisaties meestal geen eenpersoons bezigheid. Je kunt er helemaal in opgaan, zonder dat je je er bewust van bent. Je ziet het misschien niet eens meer. Tot op een dag iemand langs komt met een camera en zegt: “Hé… wat hangt hier nou?”
Welke web zag jij ineens hangen?
